Inspiratie

Verhalen die wellicht ook iets voor jou kunnen betekenen.

ANDRZ Coaching & Training Leiderdorp | Inspiratie | Verhalen

ANDRZ Coaching & Training Leiderdorp

Voor persoonlijke begeleiding op een praktische en oplossingsgerichte wijze.

Neem contact op voor meer informatie of voor een gratis en vrijblijvend kennismakingsgesprek.

Verhalen


De overkant

Een monnik ziet aan de andere kant van de rivier zijn goeroe zitten. Hij roept: 'Meester, help mij naar de overkant.' Waarop de meester antwoordt: 'Je bent al aan de overkant!’

De arme man

Een arme man gaat dag in dag uit naar het heiligbeeld op het dorpsplein. Iedere keer smeekt hij de heilige op zijn knieën: ‘Laat me alsjeblieft de lotto winnen, alsjeblieft, alsjeblieft.’ Maar het beeld zwijgt in alle talen. Na tien jaar gebeurt echter het wonder. Nadat de man wederom gesmeekt heeft om hem een aanzienlijk bedrag te laten winnen, hoort hij een zware stem boven zich: ‘Man, in godsnaam, koop een lot!’

Proberen

Een goeroe raadde zijn studenten aan om drie keer per dag te mediteren. De meeste van zijn volgelingen keken hem wat benauwd aan. Hun commentaar was bijna gelijkluidend: ‘Ik zal het proberen ...’ De goeroe knikte ernstig en terwijl hij terug liep naar zijn zitplaats viel het boek dat hij onder zijn arm had op de grond. Verstoord draaide hij zich om, bukte voorover, reikte naar het boek, maar greep er tien centimeter naast. Keer op keer greep hij vergeefs naar het boek. Zijn studenten keken hem verbijsterd aan. Probeer jij het ook eens’, daagde de goeroe een van hen uit. De student liep naar het boek, boog voorover, pakte het boek en reikte het zijn goeroe aan. Die sloeg boos het boek uit de handen van de student en zei: ‘Ik vroeg je niet het boek op te pakken, ik vroeg je alleen maar het te proberen!’

Twee monniken

Twee monniken die op reis waren kwamen bij een rivier aan, waar ze een vrouw ontmoetten. Omdat de vrouw bang was voor de stroming in de rivier vroeg ze of de monniken haar naar de overkant wilden dragen. Een van de monniken aarzelde, maar de andere zette haar op zijn schouders, stak het water over en zette haar neer op de oever aan de overkant van de rivier. De vrouw bedankte hen en vertrok. Terwijl de monniken hun reis vervolgden, was de ene monnik in zichzelf gekeerd en aan het broeden. Niet meer in staat om het zwijgen te bewaren zei hij wat hem dwars zat. ‘Broeder, onze spirituele training leert ons elk contact met vrouwen te mijden, maar jij nam haar op je schouders en droeg haar!’ ‘Broeder,’ antwoordde de andere monnik, ‘ik heb haar neergezet aan de overkant, terwijl jij haar nog steeds bij je draagt.’

De macht van het woord

Een oude, wijze man raadt zijn toehoorders aan voortaan niet meer hun eigen naam te gebruiken, maar zich God te noemen en … daarmee God te zijn. Dit heeft veel verontwaardiging tot gevolg en het wordt gezien als godslastering. Een voorname man zegt dat hij niet inziet dat het zo belangrijk kan zijn. De oude man zegt: ‘Hou je mond, klootzak!’. De man is in alle staten. De oude man glimlacht echter vriendelijk, zegt hem te kalmeren, er is immers niets aan de hand. ‘Niets aan de hand? Niets aan de hand? U hebt me klootzak genoemd waar iedereen bij staat!’. De oude man zegt: ‘Ik heb u slechts éénmaal klootzak genoemd en kijk eens wat voor gevolgen dat heeft. Kunt u nagaan wat het effect is als u zichzelf voortaan God noemt.’

Aap

‘Sukkel,’ riep aap geïrriteerd uit, ‘wat heb je nou gedaan?!’ Aap zag een dier in de rivier verdrinken. ‘Hoe ben je daar nou terechtgekomen?!’ Omdat aap een goede inborst had – hij vond zichzelf ‘best wel oké’ – en dus het beste voorhad met zijn medeschepselen, handelde hij acuut. ‘Kom, laat me je helpen,’ sprak hij liefdevol. Behoedzaam tilde hij het dier uit het water en legde het op de oever. Daar kon het drogen in de zon. Tevreden aanschouwde aap de situatie. Zo te zien was hij net op tijd geweest. ‘Mooi! Ik zie dat je alweer ademt,’ sprak hij tot de naar lucht happende vis.

Een vogeltje

Een vogeltje vloog naar het zuiden om de winter te ontvluchten. Het was een beetje laat vertrokken en er kwam al vorst in de lucht. De energie van het vogeltje raakte op en het viel op de grond, klaar om te sterven. Een koe zag het op de grond liggen beven en voelde mededogen. Ze liep er naartoe en liet een grote koeienvlaai op hem vallen. Lekker warm. Het vogeltje warmde op en begon zich heel blij te voelen. Het zou in leven blijven! Het begon te zingen. Een vos hoorde het zingen en liep op het vogeltje af, pakte het uit de koeienvlaai, veegde het af, stopte het in zijn bek en at het op. Dit verhaal heeft een tweevoudige moraal. De eerste is: hij die op je schijt is niet altijd je vijand en hij die je uit de stront haalt is niet altijd je vriend. De tweede is: wanneer je tot je nek in de stront zit, hou dan je mond dicht.

Genieten

Een rijke fabriekseigenaar zag tot zijn afschuw een visser lui naast zijn boot liggen roken. ‘Waarom ben je niet aan het vissen?’ vroeg de fabriekseigenaar. ‘Omdat ik genoeg vis heb gevangen voor vandaag,’ zei de visser. ‘Waarom vang je er niet nog een paar?’ ‘Wat zou ik ermee moeten?’ vroeg de visser. ‘Je zou geld kunnen verdienen,’ luidde het antwoord. ‘Daarmee zou je een motor op je boot kunnen laten monteren om verder de zee op te gaan en meer vis te vangen. Dan zou je genoeg verdienen om nylon netten te kopen en die zouden je nog meer vis en geld opleveren. Al gauw zou je genoeg geld hebben om twee boten te bezitten ... Misschien wel een hele vloot. Dan zou je een rijk man zijn, net als ik.’ ‘Wat zou ik dan doen?’ vroeg de visser. ‘Dan zou je werkelijk van het leven kunnen genieten.’ ‘En wat denk je dat ik nu aan het doen ben?’ antwoordde de visser.

De steenhouwer

In de middeleeuwen maakte een nieuwsgierig ingestelde burger een wandeling door de stad. Na enige tijd kwam hij bij een bouwterrein waar een nieuwe kathedraal werd gebouwd. Hij liep het terrein op en zag drie steenhouwers, alle drie druk aan het werk. Hij liep naar één van hen en vroeg: ‘M'n beste man, mag ik u vragen naar wat u aan het doen bent?’ De steenhouwer blikte enigszins geïrriteerd omhoog en zei: ‘Kunt u niet zien dat ik mijzelf in het zweet werk om dit weerbarstige stuk steen een acceptabele vorm te geven?’ ‘Ja natuurlijk,’ mompelde de burger beschaamd en haastte zich naar de tweede steenhouwer. Ook aan hem vroeg hij: ‘M'n beste man, mag ik u vragen wat u doet?’ ‘Maar natuurlijk,’ antwoordde de steenhouwer welwillend. ‘ik maak uit dit stuk rots een mooie steen die straks gemakkelijk door de metselaars verwerkt kan worden.’ ‘Ik dank u zeer voor uw antwoord. U vervult een nuttige taak als ik u dat mag zeggen,’ antwoordde de burger. Tevredengesteld liep hij naar de derde steenhouwer. Hij verwachtte eigenlijk niet nog iets nieuws te horen, maar toch stelde hij ook hier z'n vraag. ‘M'n beste man, mag ik u naar uw werkzaamheden vragen?’ De steenhouwer legde zijn gereedschap neer en staarde zwijgend in de verte. Toen verscheen er een glimlach op z'n gezicht en hij zei: ‘Ik bouw een kathedraal.’ Rustig pakte hij zijn gereedschap weer op en verdiepte zich opnieuw in z'n werk.

De echo

Een man en zijn zoon lopen in het bos. Plotseling struikelt de jongen en omdat hij een scherpe pijn voelt, roept hij: 'Ahhhh.' Verrast hoort hij een stem vanuit de bergen die 'Ahhhh' roept. Nieuwsgierig roept hij: 'Wie ben jij?' maar het enige antwoord dat hij terugkrijgt is: 'Wie ben jij?' Hij wordt kwaad en hij roept: 'Je bent een lafaard!' waarop de stem antwoordt: 'Je bent een lafaard!' Daarop kijkt de jongen naar zijn vader en vraagt: 'Papa, wat gebeurt er?' De man antwoordt: 'Zoon, let op!' en hij roept vervolgens: 'Ik bewonder jou!' De stem antwoordt: 'Ik bewonder jou!' De vader roept: 'Jij bent prachtig!' en de stem antwoordt: 'Jij bent prachtig!' De jongen is verbaasd, maar begrijpt nog steeds niet wat er aan de hand is. Daarop legt de vader uit: 'De mensen noemen dit echo, maar in feite is dit het leven! Het leven geeft je altijd terug wat jij erin brengt. Het leven is een spiegel van jouw handelingen. Als je meer liefde wilt, geef dan meer liefde. Wil je meer vriendelijkheid, geef dan meer vriendelijkheid. Als je begrip en respect wenst, geef dan begrip en respect. Wil je dat mensen geduldig en respectvol met je omgaan, geef hen dan geduld en respect. Deze natuurwet gaat op voor elk aspect van ons leven.' Het leven geeft je altijd terug wat jij erin brengt. Het is geen toeval, maar een spiegel van jouw eigen handelingen.

Twee wolven

Een oude Cherokee indiaan geeft zijn kleinzoon onderricht over het leven. ‘Binnen in me is een gevecht gaande,’ zegt hij tegen de jongen. ‘Het is een afschuwelijk gevecht tussen twee wolven. De ene wolf is slecht. Hij bestaat uit woede, jaloezie, verdriet, spijt, hebzucht, verwaandheid, zelfmedelijden, schuldgevoelens, wrok, minderwaardigheid, leugens, valse trots, superioriteit en ego. De andere wolf is goed. Hij is vreugde, vrede, liefde, hoop, kalmte, nederigheid, vriendelijkheid, welwillendheid, medegevoel, vrijgevigheid, waarheid, compassie en geloof. Binnen in jou woedt dezelfde strijd en datzelfde geldt voor ieder mens.’ De kleinzoon denkt daar enkele ogenblikken over na en vraagt dan aan zijn grootvader: ‘Welke wolf zal het gevecht winnen?’ De oude Cherokee glimlacht en antwoordt: Heel eenvoudig, degene die je voedt.’

De olifant en de zes blinden

Zes blinden willen allemaal weten hoe een olifant eruitziet. Ieder van hen krijgt de kans een deel van het dier te betasten. De eerste heeft het voorrecht de buik te mogen aanraken. Hij concludeert onmiddellijk: een olifant lijkt op een dikke muur van ruwe stenen. De handen van de tweede persoon vinden een slagtand op hun weg en ook meent het zeker te weten: een olifant lijkt in alle opzichten op een enorme speer. De derde stuit op de zwaaiende slurf en het kan niet missen: een olifant heeft wel heel veel weg van een dikke slang. Als de vierde zijn handen over een van de kolossale poten van de olifant laat dwalen, verschijnt voor zijn geestesoog direct de vorm van een boom. De vijfde betast een van de zwiepende oren en deelt de olifant meteen bij het rijk der vogels in. De laatste krijgt de staart te pakken en denkt direct aan een stevig stuk touw. De blinden ruziën over de vraag hoe de ware olifant eruitziet. Allemaal volharden ze in hun eigen gelijk, vol verbazing en verontwaardiging over het feit dat de anderen maar niet te overtuigen zijn van de waarheid van wat ieder van hen toch heel zeker meent te weten. De les die hierin schuilt is dat wij, als het om kennisverwerving via de zintuigen of het intellect gaat, slechts een fragmentarisch beeld van de werkelijkheid bezitten. Of we nu wetenschapper, filosoof of theoloog zijn of slechts gezegend zijn met ons boerenverstand.

 

'Wat voor dag is het,' vroeg Uil. 't Is vandaag!' piepte Knorretje. 'Mijn lievelingsdag,' zei Poeh.